11.

eindelijk die halte. laatste stop voor de nacht
ze vielen eruit en zwermden

ik zie spreeuwen
hongerig en happend naar lucht

zoals de spreeuw die ik eens bevrijdde
uit het kruisbessennet

ze kenden het gewicht van koolzuur
nog niet, van het jonge, bange zweet

de pluchen avond bracht soep en steenhard brood
wat niet te breken moest worden gedeeld

gedoopt in het zoute, lauwe vocht
vruchtwater, denk ik

toen slapen, dicht bij de grond
waarom dacht hij ineens aan de kastanjeboom

zonder wortels. de afgezaagde top
die hij plantte en die bolsters droeg

om daarna weg te rotten
in een natte winter

die nacht, wat was het duister, ik schrijf
Finsternis. blind, dacht hij, ik ben blind

iemand betast zijn rug, precies daar waar het korzelig is
droog stukje land tussen de schouderbladen

ik mis vleugels
blijf van hem af