4 (ad latus)


het steekt in zijn linkerzijde, spleen van het wachten
met dat uitputtende hippen op één been, kijk hem nou
hij doet het voor haar staat hij krom in het midden

en zij weet hoe dat komt, die bloedpijn in de milt, immers
ook zij ooievaarde als een malle. dit alles om te voor-
komen dat zij als kleine deeltjes gingen botsen

en de gevolgen niet zouden overzien. want pas veel later
vindt men god, levend in veelvoud in een lange buis
diep onder de hoogste bergen. maar nu nog niet