7 (ad faciem)


zijn gelaat is als de maan in de schaduw van de aarde
zo blozend en toch verscholen, en hoog, en ver
wat zou ze hem graag naar beneden halen

en hij ziet haar ogen stralen als bloemen van vogelmelk
de knikkende variant, omfloerster dan de gewone
in deze zilvergrijze sterren laat hij zich verdwalen

en de voorhoofden zullen zich vlijen tegen elkaar
wiegend wrijven de neuzen. dit tedere bewegen reikt
tot onder de voeten waar magma zal wellen als lava